Trauma is niet wat er is gebeurd. Het is wat er daarna in je lichaam bleef.

 

Mensen denken bij trauma vaak aan iets groots. Een ramp, een aanslag, oorlog. Iets wat overduidelijk erg is, iets wat iedereen zou begrijpen.

Maar trauma werkt niet zo.

Trauma is niet de gebeurtenis zelf. Trauma is wat er in jouw lijf is blijven hangen na die gebeurtenis. Het is de reactie van je zenuwstelsel op iets wat te overweldigend, te plotseling of te langdurig was om volledig te verwerken. En dat kan een grote explosie zijn. Maar het kan ook jaren van te weinig aandacht zijn. Een opvoeding zonder emotionele veiligheid. Een werkomgeving die structureel te veel vroeg. Een leven waarin jij altijd de sterkste moest zijn.

De vraag is niet: was het erg genoeg? De vraag is: wat heeft het achtergelaten?

Wat er in je lijf gebeurt

Als er iets gebeurt wat je zenuwstelsel overweldigt, maakt je lichaam zich klaar om te overleven. Je hartslag schiet omhoog. Je spieren spannen aan. Je ademhaling verandert. Je bent klaar om te vechten, te vluchten, of, als geen van beide mogelijk is, te bevriezen.

Dat is geen keuze. Dat is biologie. Je zenuwstelsel beslist dit sneller dan jij kunt nadenken, en dat is precies de bedoeling.

Normaal gesproken lost die spanning zich daarna op. De dreiging is voorbij, je lichaam ontlaadt de opgebouwde energie, je zenuwstelsel komt bij. Je slaapt. Je verwerkt. Je gaat door.

Maar soms lukt dat ontladen niet. Soms was het te veel, of duurde het te lang, of was er daarna geen veiligheid om bij te komen. En dan blijft die energie vastzitten. Peter Levine, die zijn leven heeft gewijd aan begrijpen wat trauma met het lichaam doet, beschrijft het als een overlevingsrespons die nooit is afgemaakt. De energie die bedoeld was om in actie te komen, om te vluchten of te vechten, heeft nergens naartoe gekund. En dus blijft ze zitten. In je spieren. In je ademhaling. In je zenuwstelsel.

Dat is wat trauma in je lijf doet. Het zit niet in je hoofd als een herinnering die je maar moet vergeten. Het zit in je lichaam als een onafgemaakte beweging.

Het verschil tussen een gebeurtenis en een wond

Bessel van der Kolk schrijft dat het lichaam de score bijhoudt. Dat wat je hebt meegemaakt niet verdwijnt als je er niet meer aan denkt, maar gewoon blijft zitten, ingeprent in je zenuwstelsel, in je spieren, in de manier waarop je reageert op dingen die je aan vroeger doen denken, ook als je dat verband zelf niet meer ziet.

Iedereen maakt moeilijke dingen mee. Dat maakt die dingen niet automatisch traumatisch. Wat bepaalt of iets een wond wordt, is een samenspel van factoren: hoe overweldigend het was, hoe lang het duurde, of er daarna veiligheid en steun was, en hoe beladen je zenuwstelsel op dat moment al was door alles wat er daarvoor was geweest.

Twee mensen kunnen hetzelfde meemaken en er heel anders uitkomen. Dat zegt niets over wie sterker is. Het zegt iets over wat elk zenuwstelsel al droeg voor die gebeurtenis plaatsvond.

PTSS is de diagnose die gegeven wordt als de symptomen na een traumatische ervaring langer dan een maand aanhouden en het dagelijks leven beïnvloeden. Maar trauma hoeft geen diagnose te hebben om echt te zijn. Veel mensen leven jarenlang met een ontregeld zenuwstelsel zonder dat iemand er ooit een naam aan heeft gegeven.

Hoe je het herkent

Trauma heeft veel gezichten.

Herbelevingen en nachtmerries zijn de meest bekende. Maar trauma zit ook in het gevoel altijd op scherp te staan, ook als er niets aan de hand is. In moeite hebben met ontspannen. In heftig reageren op dingen die anderen klein lijken. In het gevoel dat je er wel bij bent maar er toch niet echt bij bent, alsof er een glazen wand tussen jou en de rest van de wereld zit. In lichamelijke klachten zonder duidelijke medische oorzaak.

En bij hulpverleners zit het ook vaak in iets wat ze schaamte noemen: de overtuiging dat ze hier niet over mogen klagen, want anderen hebben het erger. Dat ze sterk moeten zijn. Dat hulp vragen betekent dat je het niet aankan.

Dat is ook een symptoom. Alleen een andere.

Waarom praten alleen niet genoeg is

Het brein heeft drie lagen. De bovenste laag, de neocortex, is waar taal leeft. Waar begrip leeft. Waar jij naartoe gaat als je praat in een therapiesessie.

Maar trauma leeft dieper. In de hersenstam en het limbisch systeem, in de oudere delen van je brein die reageren op gevaar vóór de neocortex ook maar iets heeft kunnen bedenken. Praten bereikt die laag niet rechtstreeks. Je kunt van alles begrijpen, en je lichaam reageert toch nog steeds zoals het altijd heeft gereageerd, want dat signaal komt van een plek die geen woorden kent.

Dat is waarom mensen soms jaren in therapie gaan en toch blijven vastlopen. Niet omdat de therapie slecht is, maar omdat de weg naar heling ook via het lichaam moet lopen. Via ademhaling. Via beweging. Via het zenuwstelsel dat langzaam, heel langzaam, leert dat het veilig is om los te laten.

Wat helpt

Heling begint met veiligheid. Niet de veiligheid die je in je hoofd kunt beredeneren, maar de veiligheid die je lijf voelt. Dat is een verschil.

Van daaruit, heel langzaam en in kleine doses, kun je de energie die vastzat de ruimte geven om te bewegen. Niet door het trauma opnieuw te beleven, maar door de onafgemaakte overlevingsrespons voorzichtig te laten voltooien. Dat gaat via het lichaam. Via adem. Via kleine bewegingen. Via iemand naast je die weet wat ze doet en in wiens aanwezigheid je zenuwstelsel kan leren dat het nu anders is.

Heling betekent daarbij niet dat het verdwijnt. Het betekent dat het zijn greep op je lijf verliest. Dat je het kunt dragen zonder erdoor meegesleurd te worden. Dat het iets wordt wat bij jou hoort, maar jou niet meer bepaalt.


Dat is mogelijk. Ik weet dat het mogelijk is, omdat ik het zelf heb meegemaakt.

 

Eske Hoekman is eigenaar van AGAPIA en werkt als trauma- en zenuwstelselcoach. Ze begeleidt mensen die functioneren maar vanbinnen uitgeput zijn, terug naar contact met zichzelf.