Ik noemde het druk. Mijn lijf noemde het iets anders.

Ik wil je iets vragen.

Wanneer ben je voor het laatst écht tot rust gekomen? Niet op de bank met je telefoon naast je. Niet in de auto op weg naar huis. Maar echt. Waarbij je lijf ook zei: het is goed, ik ben er.

Ik stel die vraag omdat ik hem jaren geleden aan mezelf had moeten stellen. Maar dat deed ik niet. Ik had het veel te druk om te merken hoe moe ik eigenlijk was.



Ik heb jaren gedacht dat ik gewoon een druk leven had. En dat klopte ook. Politiewerk, drie kinderen, een huis, een relatie, altijd bereikbaar zijn, altijd zorgdragen voor anderen, nooit echt uit. Dat is objectief druk. Dus ik noemde het druk, en ik ging door.

Maar er is een verschil tussen een druk leven en een systeem dat al zo lang op zijn tandvlees loopt dat het vergeten is hoe normaal voelt. Dat verschil zag ik niet. Of misschien wilde ik het niet zien. Want als ik het zag, moest ik iets doen met wat ik voelde. En dat voelen, dat was het laatste wat ik kon gebruiken.



Ik ging op vakantie en kwam uitgeput thuis.

Ik lag in de zon in een land dat ik prachtig vond, en mijn hoofd stond gewoon aan. De stem die maar doorging. De lijstjes. De zorgen over dingen thuis. De vraag of ik alles wel goed had gedaan voor ik wegging. Ik kon niet genieten. Ik kon niet ontspannen. Ik lag er en ik was er niet.

Ik dacht: ik ben gewoon niet zo iemand die goed kan niksen.

Maar dat was het niet.

Wat ik op dat moment niet wist, is dat mijn zenuwstelsel zo lang in de overlevingsstand had gestaan dat die stand gewoon mijn normaal was geworden. Rust voelde ongemakkelijk, omdat er in de stilte opeens ruimte was voor alles wat ik al die jaren opzij had gezet. Dus zocht ik automatisch prikkels. Mijn telefoon. Iets regelen. Ergens naartoe. Niet omdat ik van nature een druk mens ben, maar omdat stilzitten te veel losmaakte.



Ik vertel je dit niet omdat mijn verhaal bijzonder is.

Ik vertel je dit omdat ik het herken bij bijna iedereen die bij me komt. Ze zeggen: ik kan niet ontspannen. Ze zeggen: ik weet niet hoe ik moet niksen. Ze zeggen: ik ben gewoon zo iemand die altijd bezig is. Ik zorg gewoon altijd voor anderen, dat ik nu eenmaal mijn karakter.

En ik knik. Want ik ken dat verhaal van binnenuit.

Maar wat ik inmiddels weet is dit: als je al heel lang altijd aan staat, dan voelt uitstaan niet als rust. Het voelt als onrust. En dan is het heel verleidelijk om te blijven doorgaan, want doorgaan ken je tenminste. Doorgaan is vertrouwd. Doorgaan vraagt niets van je behalve dat je blijft bewegen.

Het probleem is dat je lijf daarin niet meegaat. Dat bijhoudt wat jij probeert te vergeten.



Het moment dat er voor mij iets veranderde was niet groot.

Het was een oefening, buiten, in de polder, waarbij ik bewust voelde dat mijn voeten op de grond stonden. Meer niet. Maar het was het eerste moment in ik weet niet hoe lang dat ik echt aanwezig was. Niet in mijn hoofd. In mijn lijf.

Dat voelde zo onwennig dat ik er bijna van moest huilen.

Niet van verdriet. Van herkenning. Van: o. Hier ben ik dus.

En daarna dacht ik: als ik dit zo lang ben kwijtgeraakt, hoeveel mensen lopen er dan nog rond met hetzelfde gevoel, en noemen het gewoon druk?



Misschien ben jij er ook een van.

Misschien herken je die vakantie. Die bank met de telefoon. Die stem die niet uitgaat. Misschien noem jij het ook druk, terwijl je lijf al een tijdje iets anders probeert te zeggen.

Als dat zo is: je hoeft het niet alleen uit te zoeken. En je hoeft het zeker niet op te lossen met meer wilskracht.

Je lichaam weet al wat het nodig heeft. Het wacht alleen tot jij een moment hebt om te luisteren.



Eske Hoekman is eigenaar van AGAPIA en werkt als trauma- en zenuwstelselcoach vanuit haar eigen ervaring en haar achtergrond als hulpverlener bij de politie.