Ik dacht dat ik het zelf wel zou oplossen. Dat was precies het probleem.

Ik weet eigenlijk niet eens zeker wat ik voelde in die periode.

Wat ik toeliet, was boosheid. Op de situatie, op de diagnose, op de bedrijfsarts die me doorstuurde, op de collega die aanbood mijn buddy te worden. Op iedereen die dacht dat ik hulp nodig had. Boosheid voelde veilig. Boosheid had richting. Boosheid hield me overeind.

Of er ook verdriet was, of angst, of verwarring, ik weet het eerlijk gezegd niet meer zo goed. Wat ik wel weet is dat die emoties zich een weg naar buiten zochten op hun eigen, volstrekt onhandige manier. Soms op momenten dat ik het helemaal niet verwachtte. In de auto. Thuis aan tafel. Op een doordeweekse ochtend zonder aanleiding.

Dat was misschien wel het meest verwarrende: dat ik niet begreep wat er met me aan de hand was.

Want ik was een politievrouw. Ik had dingen meegemaakt die de meeste mensen nooit zouden meemaken en ik stond er nog. Ik deed gewoon mijn werk. En als er even iets was, dan zette ik dat opzij en ging ik door. Dat had altijd gewerkt.

Totdat het niet meer werkte.

Wat ik mezelf niet vertelde

Ik had een opgejaagd gevoel dat er altijd was, ook als er niets aan de hand was. Ik was snel boos, snel overweldigd, snel in paniek. Mijn hoofd stond de hele dag aan en ging ’s nachts ook niet uit, want dan kwamen de nachtmerries. Mijn nek voelde alsof er staalkabels doorheen liepen. Mijn spieren waren constant gespannen. Ik had hartkloppingen. Hoofdpijn. Ik sliep slecht en als ik sliep, werd ik niet uitgerust wakker.

Ik ging op vakantie en kwam net zo moe thuis als ik was gegaan.

Ik zat op de bank en kon niet stilzitten. Zodra het stil werd, werd de onrust groter dan de moeheid, dus bleef ik maar bezig. Nog wat doen. Nog even checken. Nog even oplossen. Ik leefde op adrenaline en noemde het functioneren.

Wat ik mezelf niet vertelde, was dat ik de verbinding met mezelf volledig kwijt was. Met mijn kinderen. Met de mensen om me heen. Ik was er lichamelijk, maar ik was er niet echt. En dat raakte me het meest, al kon ik het toen nog niet zo benoemen: ik kon niet de moeder zijn die ik wilde zijn. Ik voelde me een slechte moeder. Ik voelde me een slechte collega. Ik voelde me eigenlijk gewoon heel erg eenzaam.

Maar ik had geen hulp nodig. Ik zou dit zelf oplossen. Maximaal een half jaar, dan was deze bullshit voorbij.

De collega die ik wegstuurde

Toen een collega van het Buddy Project bij me aanklopte en zei dat hij me wilde opvangen, werd ik woedend op hem. Echt woedend. Begreep hij dan niet dat ik dit niet nodig had? Dat ik het zelf kon? Dat ik geen medelijden wilde?

Hij liet zich er niet door wegjagen.

Hij ging mee naar de moeilijke gesprekken. Hij stond mijn partner bij, want het thuisfront lijdt ook en wordt bijna altijd vergeten. Hij had geen oordeel. Hij liep gewoon naast me. En ergens, heel langzaam, begon ik te begrijpen dat naast iemand lopen misschien het enige was wat op dat moment telde.

Het moment in de polder

Via Recovery, een project van de politie Rotterdam, ging ik lopen. In de polder. In het bos. We deden ademhalingsoefeningen en mindfulness en in het begin vond ik dat allemaal verschrikkelijk zweverig. Ik was een politievrouw, geen yogaleraar.

Maar toen vertelde de instructeur dat het arrestatieteam, mensen van de dienst speciale interventies, voor iedere inzet ademhalingsoefeningen doen. Voor maximale focus onder druk. En dat ik het moest zien als een tool, net zoals elk ander gereedschap dat werkt omdat het werkt.

Dat raakte iets in me. Misschien was het niet zweverig. Misschien had ik het gewoon nooit geprobeerd.

Ik merkte dat er iets veranderde als ik buiten liep. Iets kleins. Een beetje minder opgejaagd. Een beetje meer aanwezig. Ik ging boeken lezen. Ik raakte geïnteresseerd in hoe het zenuwstelsel werkt, in wat er in een lijf gebeurt als het jarenlang op scherp heeft gestaan.

Het kwartje

Het echte kwartje viel bij een psychosomatisch fysiotherapeut.

Ze werkte met mijn lichaam. Met de spanning in mijn spieren, in mijn ademhaling, in de manier waarop ik bewoog. En op een gegeven moment, midden in een sessie, voelde ik iets wat ik in jaren niet had gevoeld: mijn lijf liet iets los. Heel even maar. Een paar seconden van spanning die er gewoon uit ging, zonder dat ik er iets voor had hoeven doen.

Ik wist niet of ik moest lachen of huilen.

Ze zei: je trauma zit in je lijf. Meer dan je hoofd ooit had kunnen bedenken.

En ik dacht aan alles wat Bessel van der Kolk schrijft, dat het lichaam de score bijhoudt, dat wat je hebt meegemaakt niet verdwijnt als je er niet meer aan denkt maar gewoon blijft zitten, in je spieren, je ademhaling, je zenuwstelsel. Dat was voor mij geen mooie theorie meer. Dat was wat ik die middag had gevoeld.

Na die sessies begon de rest ook beter te werken. De gesprekken met de psycholoog. De EMDR. Alsof er eindelijk ruimte was om te ontvangen wat ze me al die tijd probeerden te geven.

Wat ik nu weet

Ik ben van de bodem van de put gegaan naar weer verbinding voelen. Met mijn kinderen. Met plezier. Met mezelf. Ik kan weer genieten van kleine dingen, en dat klinkt misschien simpel, maar voor iemand die dat jarenlang niet kon, is het alles.

Ik heb daarna vier coachopleidingen gedaan. Niet omdat ik een plan had, maar omdat ik zo verschrikkelijk nieuwsgierig was geworden naar wat er in een mens gebeurt als het systeem ontregeld raakt, en hoe je het de weg terug kunt laten vinden.

En op een gegeven moment dacht ik: dit kan ik niet voor mezelf houden.

Niet omdat ik alle antwoorden heb. Maar omdat ik weet hoe het is om jarenlang te denken dat je het zelf moet oplossen, terwijl je lichaam al lang weet dat het zo niet verder kan. Ik weet hoe het is om boos te zijn op de mensen die je willen helpen. Om op vakantie te gaan en uitgeput thuis te komen. Om op de bank te zitten en niet te kunnen stilzitten.

En ik weet ook hoe het is als er eindelijk iets kantelt.

Als je lijf, voor het eerst in jaren, even loslaat.

Dat moment wil ik voor anderen zijn.

Eske Hoekman is eigenaar van AGAPIA en werkt als trauma- en zenuwstelselcoach. Ze begeleidt mensen die functioneren maar vanbinnen uitgeput zijn, terug naar contact met zichzelf en met de mensen om hen heen.