Ik ben bij de politie gegaan om mensen te helpen. Dat was oprecht. Dat was niet naïef, het was gewoon wat ik wilde: er zijn als het er toe doet.
En dat deed ik. Jarenlang. Ik was er bij de moeilijkste momenten in het leven van mensen die ik nooit eerder had gezien. Ik reed naar adressen waarvan ik wist dat het niet goed zou zijn. Ik stond naast mensen in hun ergste uur. Ik nam dat mee naar de volgende melding, en de volgende. En dan ineens zijn er die hele ernstige incidenten. Die je niet meer uit je hoofd kan krijgen. Gewoon ertussendoor.
Wat ik niet begreep is wat dat stapelen doet. Niet per incident, maar over jaren. Hoe het zenuwstelsel bijhoudt wat er niet is verwerkt. Hoe het lijf bijhoudt wat het hoofd probeert te vergeten.
Ik merkte het het eerst thuis.
Ik was de hele dag sterk geweest. Aanwezig. Gefunctioneerd. En dan reed ik naar huis en was er niets meer over. Geen geduld. Geen warmte. Geen ruimte voor de gewone problemen van een gewoon gezin.
Op een avond hadden mijn dochters ruzie. Gewone meisjesruzie, niets bijzonders. Maar ik was al zo moe. Zo leeg. En ik had al zo lang op de rand gelopen dat er geen bufferruimte meer was tussen wat ik voelde en wat ik deed.
Ik schreeuwde tegen ze. Niet omdat ze iets hadden gedaan. Ze hadden helemaal geen schuld. Maar de moeheid moest ergens naartoe, en zij stonden daar.
Daarna zakte ik huilend in elkaar.
Ik kan nog steeds huilen als ik daaraan terugdenk. Want dat moment zegt alles over hoe ver ik was afgedwaald van wie ik wilde zijn. Ik was degene die voor anderen zorgde. Degene die sterk was. Maar thuis was ik de persoon die schreeuwde tegen haar kinderen omdat ze ruzie hadden. Dat raakte me dieper dan de diagnose. Dieper dan alles.
Er is iets in de cultuur van hulpverlening wat zegt: doorgaan. Wat er ook is, doorgaan. Anderen hebben het erger. Jij bent opgeleid voor dit. Jij kunt dit aan.
Ik heb dat lang geloofd. Ik heb het mezelf jarenlang voorgehouden als een soort bescherming.
Maar bescherming waartegen?
Tegen voelen? Tegen erkennen dat het zwaar is? Tegen toegeven dat ook een politievrouw een mens is met een zenuwstelsel dat soms te vol zit?
Als je dit leest en denkt: dit gaat niet over mij, want ik ben geen politievrouw, dan wil ik je iets zeggen. Het mechanisme is hetzelfde. Voor de verpleegkundige die twaalf uur later thuiskomt en niks meer kan zeggen. Voor de moeder die de hele dag klaarstaat voor iedereen en ’s avonds instort. Voor iedereen die heeft geleerd dat sterk zijn betekent dat je nooit laat zien hoe zwaar het is.
Het gaat over jou ook.
Wat ik nu weet, en wat ik niet wist toen ik er middenin zat, is dat hulp zoeken voor jezelf niet het tegenovergestelde is van sterk zijn. Het is de meest logische stap als je wilt blijven doen wat je doet. Als je er wilt zijn voor de mensen die je nodig hebben, thuis en op het werk.
Die avond met mijn dochters vergeet ik nooit. Maar het heeft me ook iets gegeven. Het heeft me laten zien hoe hoog de prijs was van altijd doorgaan. En dat die prijs uiteindelijk niet door mij werd betaald, maar door de mensen van wie ik het meest houd.
Dat wilde ik niet meer.
Je kunt anderen niet dragen vanuit een lichaam dat zelf al op de grond ligt.
Eske Hoekman is eigenaar van AGAPIA en werkt als trauma- en zenuwstelselcoach vanuit haar eigen ervaring en haar achtergrond als hulpverlener bij de politie. Ze begeleidt mensen die functioneren maar vanbinnen uitgeput zijn, terug naar contact met zichzelf en de mensen om hen heen.